Hoe herken je als leerkracht een hooggevoelig kind in je klas?

Hoe herken je als leerkracht een hooggevoelig kind in je klas?

Steeds meer leerkrachten hebben inmiddels gehoord of gelezen over hooggevoeligheid / hoogsensitiviteit. Een collega vroeg onlangs aan enkel leerkrachten vroeg leerkrachten  aan welk gedrag zij een hooggevoelig kind in hun klas herkennen. Mede dankzij hun inbreng, ontstond er een lijst met kenmerkend gedrag .

Wat je op voorhand moet weten

Elk kind reageert verschillend op overprikkeling. Sommige kinderen worden stil en teruggetrokken, anderen worden juist druk, weer anderen worden emotioneel. Het kan ook per situatie verschillen: sommige kinderen die overprikkeld zijn, trekken zich op school terug en worden thuis druk, of andersom. Dus het kind zelf, de situatie, de omstandigheden zijn medebepalend in welk gedrag het kind laat zien als het overprikkeld is.

Kenmerkend gedrag

Bezie deze lijst met kenmerkend gedrag als een richtlijn, het is niet voor elke kind zo. En het is ook geen en en verhaal. De kenmerken staan los van elkaar, hoewel soms de ene niet losgekoppeld kan worden van de ander. Maar het doel is om leerkrachten te helpen meer zicht te krijgen op hooggevoeligheid / hoogsensitiviteit. ‘Voelen’ is een basiseigenschap van elk mens, maar we verschillen wel in de mate waarin eigenschappen in aanleg in ons aanwezig zijn. Als een kind in hoge mate gevoelig is, betekent dit niet dat een het kind al het gedrag in onderstaande lijst moet te vertonen om van hooggevoeligheid te kunnen spreken. Het betekent wel dat als je de meeste gedragskenmerken bij een kind herkent, dit een sterke aanwijzing is dat het kind gevoeliger is dan de meeste andere kinderen.

Aan welk gedrag herken je een hooggevoelig kind in de klas?

  1. Huilt sneller, reageert emotioneler dan de meeste andere kinderen.
  2. Schrikt van een strenge toon om gefronste wenkbrauwen.
  3. Schrikt van plotselinge of harde geluiden.
  4. Wil (liever) niet in de groep of kring praten.
  5. Krijgt rode wangen en maakt een verlegen indruk als het in de groep moet praten.
  6. Wil liever niet aan drukke opdrachten of gelegenheden meedoen.
  7. Komt het jou vertellen als een ander kind verdriet heeft.
  8. Wordt zelf verdrietig als een ander kind verdrietig is.
  9. Reageert op jouw stemming. Wordt bijvoorbeeld druk als jij druk bent of zeer behulpzaam als jij je rot voelt.
  10. Is de thermometer van de klas.
  11. Heeft snel het idee iets fout gedaan te hebben.
  12. Wil / durft geen fouten te maken.
  13. Heeft complimenten nodig om te kunnen ontspannen.
  14. Reactie op ‘als het teveel wordt’ (overprikkeling): trekt zich extreem terug, óf wordt snel emotioneel, óf gaat druk doen.
  15. Merkt geluiden en visuele details sterk op: ziet het onmiddellijk als er iets in de groep verplaatst is.
  16. Heeft moeite om zich te concentreren / raakt afgeleid als het onrustig is in de klas.
  17. Kan ergens helemaal en lang in opgaan als daar de rust voor is.
  18. Maakt vaak een dromerige indruk.
  19. Heeft een rijke fantasie: zie je terug in tekenen, knutselen, verhalen etc.
  20. Lijkt regelmatig niet te horen wat je klassikaal zegt.
  21. Kan zich veel beter concentreren in een rustige omgeving en wanneer je helpt met focussen, bijvoorbeeld m.b.v. een time timer.
  22. Raakt gestresst van ‘special events’ of plotselinge veranderingen: wordt dan druk (nerveus), emotioneel of trekt zich terug.
  23. Huilt of schrikt van relatief ‘kleine’ dingen.
  24. Wil graag vriendjes / klasgenootjes pleasen: gaat mee in wat zij willen.

Herkenbaar en nu?

Als je dit herkent bij een kind in je klas, wil je natuurlijk weten hoe je het beste met het kind om kunt gaan. Een aantal praktische handvatten vind je in het blog van volgende week. Ook kun je zelf of samen met de ouders in gesprek om handvatten ‘op maat’ te maken. Daarbij helpt het om stapsgewijs de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Welk gedrag signaleer ik bij het kind?
  2. Wat mist het kind?
  3. Wat heeft het kind dus nodig?
  4. Wat voor concrete mogelijkheden kan ik hiervoor aanbieden?

 Bijvoorbeeld:

  1. Welk gedrag signaleer ik bij het kind? Het kind maakt haar werkjes niet af, raakt snel afgeleid.
  2. Wat mist het kind? Rust om zich te kunnen concentreren
  3. Wat heeft het kind dus nodig? Rust, een prikkelarm plekje
  4. Wat voor concrete mogelijkheden kan ik hiervoor verzinnen? Gehoorbeschermers, naast een ander rustig kind zitten, aan een ‘stille’ tafel zitten, etc.

Wil je aan de slag met tips voor de klas, dan is ons pilot traject misschien wel iets voor jou. We starten in januari.

Meer info hier.


« 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.